Installatieinstructies


Basisstation

Basisstation

Stengel node

Stengel node

Blad node

Blad node

Klimaat node

Klimaat node

Basisstation

1

Verifieer dat het stopcontact voor het basisstation onder spanning staat. Verifieer of met de netwerk kabel verbinding met internet kan gemaakt worden (bijvoorbeeld met een laptop).

2

Verwijder het deksel van het basisstation door de 4 plastieken vijzen open te draaien.

3

Draai de wartel los waardoor de kabels naar binnen zullen gaan.

4

Steek de netwerk kabel en de stroomkabel door het losse deel van de wartel. Steek daarna de kabels door de opening naar binnen.

5

Steek de netwerk kabel in de netwerk aansluiting van het basisstation. Steek de stroomkabel in de aansluiting op het basisstation. Steek de stekker van de stroomkabel nog niet in het stopcontact.

6

Vijs het deksel terug op het basisstation.

7

Vijs de antenne op het basisstation. Richt de antenne in de richting van de sensor nodes.

8

Hang het basisstation op met kabelbinders. Hang het basisstation liefst zo hoog mogelijk.

9

Steek de stekker van de stroomkabel in het stopcontact.

10

Verifieer of het basisstation verbinding maakt met PhytoSense en klaar is om gegevens van de sensor nodes door te sturen.

Start hiervoor de PhytoSense software en log in. Navigeer naar SENSOR NETWORK > Basisstation - baseXXX. Het log window (bovenaan) zou nu de opstart boodschappen moeten tonen. De grafiek onderaan zou om de 5 minuten nieuwe metingen van het basisstation zelf moeten tonen.

Schakel geen sensor nodes aan alvorens dit in orde is.

Stengel node

Sapstroom sensor installatie

1

Zoek een geschikte plaats om de sensor te installeren. Liefst aan de basis van de plant waar zo'n 30 cm stengellengte beschikbaar is. Verwijder eventueel enkele bladeren.

2

Meet en noteer de dikte van de stengel op de plaats waar de sensor zal komen . Meet in verschillende richtingen als de stengel niet circulair in doorsnede is.

Voor SGEX-10 sapstroom sensoren geldt een minimale dikte van 9.5 cm en een maximale dikte van 13 cm. Voor SGEX-13 sensoren zijn deze diktes 12 en 16 cm respectievelijk. Het type sensor kan u vinden op het label aan de sensor.

3

Verwijder eventueel vuil van de plaats waar de sensor zal komen.

4

Breng, over een lengte van zo'n 7-8 cm, een laagje thermisch geleidende pasta aan op de plaats waar de sensor zal komen. Zorg voor een mooi egaal laagje rondom heel de stengel.

5

Breng een (enkel) laagje huishoudfolie aan op de plaats waar de stengel met pasta werd ingewreven (om wortelgroei te voorkomen). Span de folie goed aan zodat er geen of toch zo weinig mogelijk luchtbellen onder blijven zitten.

6

Positioneer de sensor rond de folie op de stengel. Zorg dat de sapstroomrichting van de stengel overeenkomt met de "Flow" indicatie op het label van de sensor.

Orienteer de sensor zodanig dat de thermokoppels (korte grijze draadjes aan de binnenkant van de kurk van de sensor) met een zo bol mogelijk deel van de stegel contact maken.

7

Stop het verwarmingselement in de sensor zodat het rond de stengel komt te zitten.

8

Wikkel de velcro strip rond de sensor en de stengel. Begin op de plaats van de sensor en wikkel tot het einde en keer dan terug naar het andere einde. De velco dient heel strak aangespannen te worden ter hoogte van de sensor.

Na het aanbrengen van de velcro strip mag de sensor niet meer met de hand gedraaid kunnen worden rond de stengel. Indien dit wel het geval is, werd de velcro onvoldoende hard aangespannen.

9

Wikkel het waterafstotend doekje rond de sensor. De fel witte zijde aan de buitenkant, de mat witte zijde aan de binnenkant.

Maak vast met kabelbindertjes.

10

Maak het zwarte isolatiemateriaal vast rond de sensor. Het grote stuk ter hoogte van het midden van de sensor, de kleine stukken aan de buitenkant.

11

Wikkel een laagje aluminiumfolie rond het isolatiemateriaal. Dicht de uiteinden van de sensor hier goed mee af. Hierdoor is de kans kleiner dat water langs de stengel in de sensor zou sijpelen.

12

Maak de dikke reflectieve folie vast rond de sensor met behulp van kabelbinders.

13

Maak de connector van de sensor vast aan de verlengkabel. Maak de andere connector van de verlengkabel vast aan de SAP FLOW aanduiding van de node.

Schakel de node nog niet aan!

Stengel diameter variatie sensor installatie

1

Zoek een geschikte plaats om de sensor te installeren. Liefst vlak boven de sapstroom sensor.

2

Meet en noteer de dikte van de stengel op de plaats waar de sensor zal komen.

3

Positioneer de sensor houder op de stengel. Laat die liefst naar onder wijzen zodat het zwaartepunt van de sensor onder de stengel komt te hangen. Zo is de sensor minder onderhevig aan verstoringen.

4

Gebruik één van de zwarte elastieken om de linker zijde van de houder aan de stengel vast te maken. Plaats de elastiek in de uitsparing van de houder. Draai hem rond de stengel en bevestig hem in dezelfde uitsparing.

Draai daarna de andere elastiek op dezelfde manier, maar in de andere richting om de stengel om de andere kant van de houder vast te maken.

5

Haal het sensorhoofdje uit het witte bewaardoosje. Hou het witte bewaardoosje bij of hang het aan de kabel.

6

Schuif een veertje en een ringetje om het staafje van het sensorhoofdje.

7

Schuif het sensorhoofdje in de sensor.

8

Schuif de sensor in de houder. Schuif de sensor net zo ver tot tegen de stengel zodat het veertje onder een lichte spanning komt te staan.

Let er op dat het sensorhoofdje centraal op de stengel en in alle richtingen loodrecht staat.

9

Connecteer de sensorkabel met de LVDT aanduiding op de stengel node.

Schakel de node nog niet aan!

Stengel node installatie

1

Stel de node op in de buurt van de plant. Bij voorkeur door ze vast te maken met kabelbinders aan een paal. De node kan eventueel ook onderaan een goot gehangen worden.

2

Draai de antenne op de node en richt ze indien mogelijk in de richting van het basisstation.

3

Zet de schakelaar van de node op 1.

4

Sluit de connector van de stroomadapter aan op de node (POWER aanduiding) en steek de stekker in het stopcontact.

5

Verifieer in de PhytoSense software of de node contact heeft gemaakt met het basisstation.

Navigeer hiervoor naar SENSOR NETWORK > Basisstation - baseXXX. In het log window (bovenaan) zouden volgende boodschappen moeten staan:

Time request from node ...
Sending binary time (...) to node ...
Time set for node ...

6

Verifieer of de ruwe diameter variatie sensor meting (Devices > Diameter variatie > [Sensor naam] > Verplaatsing (mV)) tussen 200 en 1000 mV zit. Als de waarde lager dan 200 mV of negatief is, dient de sensor iets naar voor geschoven te worden in de houder zodat het veertje meer onder spanning komt te staan. Als de waarde hoger dan 1000 mV is, dient de sensor iets naar achter geschoven te worden in de houder.

Blad node

Bladdikte sensor installatie

1

Kies een representatief blad uit.

2

Bevestig de bladdikte sensor loodrecht op de bladrand. Ongeveer 1 cm van het blad dient hierbij in het klemmetje te zitten.

Bladdikte node installatie

1

Sluit de connector van de bladdikte sensor aan op de node (LEAF aanduiding).

2

Stel de node op in de buurt van de plant. Bij voorkeur door ze vast te maken met kabelbinders aan een paal. De node kan eventueel ook gehangen worden.

3

Draai de antenne op de node en richt ze indien mogelijk in de richting van het basisstation.

4

Zet de schakelaar van de node op 1.

5

Sluit de connector van de stroomadapter aan op de node (POWER aanduiding) en steek de stekker in het stopcontact.

6

Verifieer in de PhytoSense software of de node contact heeft gemaakt met het basisstation.

Navigeer hiervoor naar SENSOR NETWORK > Basisstation - baseXXX. In het log window (bovenaan) zouden volgende boodschappen moeten staan:

Time request from node ...
Sending binary time (...) to node ...
Time set for node ...

Klimaat node

Installatie van de behuizing

1

Bevestig de behuizing aan de aluminium draagstang.

2

Maak een filterdoekje onderaan de behuizing vast met behulp van een kabelbindertje. De lucht aanzuigzijde van de behuizing moet hierdoor volledig afgedekt zijn.

3

Maak de sensor kabels aan de aluminium draagstang vast.

4

Maak de draagstang vast aan de serre constructie (met kabelbinders). Zorg ervoor dat de draagstang en de behuizing mooi horizontaal hangen.

5

Verwijder het groene beschermingskapje van de PAR sensor. Hou dit bij voor later.

Klimaat node installatie

6

Hang de klimaat node eveneens aan de serre constructie (met kabelbinders).

7

Connecteer de sensoren met de node.
FAN aanduiding: connector met 2 pinnetjes.
PAR aanduiding: connector met 3 pinnetjes
SHT aanduiding: connector met 4 pinnetjes

Let op: sluit de connector van de stroomadapter niet aan op de FAN aansluiting. Die wordt later op de POWER aansluiting aangesloten.

8

Draai de antenne op de node en richt ze indien mogelijk in de richting van het basisstation.

9

Zet de schakelaar van de node op 1.

10

Sluit de connector van de stroomadapter aan op de node (POWER aanduiding) en steek de stekker in het stopcontact.

11

Verifieer in de PhytoSense software of de node contact heeft gemaakt met het basisstation.

Navigeer hiervoor naar SENSOR NETWORK > Basisstation - baseXXX. In het log window (bovenaan) zouden volgende boodschappen moeten staan:

Time request from node ...
Sending binary time (...) to node ...
Time set for node ...